Cyrille Offermans

Cyrille Offermans werd geboren op 8 april 1945 in Geleen (Zuid-Limburg), een kleine mijnstad die sinds september ’44 bevrijd was. Zijn voornaam dankt hij aan zijn Zeeuwse grootvader (van moeders zijde). Kindertijd en schooljaren in Sittard; verzette zich later tegen het gangbare beeld van de jaren vijftig als zou dat een treurige, weinig avontuurlijke tijd zijn geweest. Twijfel over studie: beeldende kunst of literatuur, kunstacademie of Neerlandistiek?

   Kiest voor de letterenstudie in Amsterdam[1]; bijvakken: sociale geschiedenis en filosofie. Actief betrokken bij studentenbeweging en democratiseringsbeweging aan het Instituut voor Neerlandistiek aan de Herengracht. Schrijft later diverse essays over die tumultueuze tijd. 

   Naast zijn belangstelling voor experimentele literatuur en kunst stort hij zich nu ook op de filosofie, in het bijzonder die van de Frankfurter Schule. Hij is een veellezer, maar ziet zichzelf niet als bibliomaan. De afstudeerscriptie, een groepswerkstuk met een drietal vrienden, Yves van Kempen, Anthony Mertens en Frits Prior, staat in het teken van pogingen literatuurbeschouwing en kritische maatschappijtheorie te combineren. In 1973 wordt die scriptie in enigszins bewerkte vorm als boek gepubliceerd bij de SUN (Nijmegen) onder de titel Materialistische literatuurtheorie. Het betreft de eerste uitgebreide introductie van Adorno en Benjamin in het Nederlands.

  Trouwt in 1969 met Marion Kerens, een jeugdvriendin. In ’72, na te zijn afgestudeerd, verhuizing naar Sittard. Wordt leraar Nederlands aan een middelbare school, aanvankelijk met een volle baan. Combineert vanaf die tijd onderwijs met schrijverschap. Publiceert regelmatig over literatuuronderwijs en onderwijshervormingen. Marion is actief als literair vertaler uit het Duits: Hans Magnus Enzensberger, Michael Krüger, Ruth Klüger, Lothar Baier, Soma Morgenstern e.a. Het paar krijgt twee kinderen: zoon Thomas in 1974 en dochter Anna in 1979.

  Publiceert in ’74 een met Frits Prior vertaalde selectie essays van Adorno, Kritische modellen. Werkt omstreeks 1975 onder supervisie van beoogd promotor Gerrit Borgers aan een proefschrift over Paul van Ostaijen en Ivo Michiels, maar breekt die werkzaamheden af vanwege een inmiddels op gang gekomen stroom essays voor literaire tijdschriften (het Nieuw Vlaams Tijdschrift, het Nieuw Wereld Tijdschrift, De Gids en Raster); wordt in ’83 redacteur van Raster (tot 2000, daarna lid redactieraad tot opheffing in 2008). 

   Vanaf 1979 literair medewerker van De Groene Amsterdammer (met een onderbreking in de jaren negentig tot heden) en Vrij Nederland (van 1979 tot 2008). Publiceert vanaf 1991 in Ons Erfdeel, van 2002 tot 2005 in De Standaard (Brussel), van 2004 tot 2008 in NRC-Handelsblad en vanaf 2007 in het culturele maandblad Zuiderlucht. Werkt halverwege de jaren tachtig één jaar aan de Open Universiteit, maar daar niet gebleven vanwege onvrede met afstandsonderwijs. In ’95 gastdocent Rijksuniversiteit Groningen. Afscheid onderwijs in 2005, vanaf die tijd fulltime schrijver.

   Publiceert ongeveer 25 boeken, vooral essayistiek in het grensgebied van filosofie, literatuur, cultuurgeschiedenis en politiek. Daarnaast een roman, een drietal jeugdromans, een toneelstuk (dat ook verfilmd werd), een non-fictieboek en twee monografieën. 

   Voor De kracht van het ongrijpbare krijgt hij in 1984 de J. Greshoffprijs, voor zijn hele kritische oeuvre in 1991 de Pierre Bayleprijs en voor De ontdekking van de wereld in 2001 de Busken Huetprijs, door de Amsterdamse burgemeester Job Cohen op 11 september van dat jaar uitgereikt op het moment dat in New York de aanslag op de Twin Towers plaatsvindt. Schipbreuk. Over kennis, cultuur en beschaving wordt genomineerd voor de ako-literatuurprijs 2008 en Ver van huis. Denken in beweging wordt door de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde uitverkoren als beste essayistisch boek van 2003 en 2004.[2]

  


[1]In een bespreking van de Geschiedenis van de literatuur in Limburg geeft hij op zijn minst één reden voor die keuze: ‘Maar dat courante gebruik [van het dialect] in het openbare leven [zoals met instemming geconstateerd door hoogleraar Joep Leerssen] was nu juist een symptoom van het ongeciviliseerde, gesloten, naar binnen gerichte karakter van veel Limburgers, een bron van ergernis voor alle niet-dialectsprekers en alle ‘Hollanders’, en voor mij halverwege de jaren zestig een belangrijke reden om ergens te gaan studeren waar de kans om samenklittende Limburgers tegen te komen zo klein mogelijk was.’ (Zuiderlucht, mei 2017)

 

[2]Uit het juryrapport:‘Denken heeft in elke geval niets te maken met het innemen van standpunten, eerder met het verlaten ervan. Denken betekent: in beweging komen, van standpunt wisselen, steeds opnieuw,’ zo laat de schrijver, ‘zuchtend’, optekenen in een gesprek met een interviewer dat onder de titel “De denker” als een soort programmatische tekst voorop wordt geplaatst in de bundel Ver van huis. Denken in beweging van Cyrille Offermans (Amsterdam, De Bezige Bij, 2003). Het essayboek eindigt met een nog veel uitgebreider interview tussen de jonge interviewer en de wat oudere schrijver, waarin de inhoud en de vorm van het gesprek op een exemplarische manier zichzelf illustreren en tegelijk voortbouwen aan het inmiddels reeds indrukwekkende essayistische oeuvre van Cyrille Offermans. De uitgebreide dialoog laat zien hoe dit boek, net als de vorige essaybundels, een vorm van reflecteren en communiceren ontwikkelt waarin geen enkele visie ooit definitief kan zijn. 

Centrale betekenissen zijn er volgens Offermans nauwelijks en conclusies of harde waarheden al helemaal niet. Er is alleen een aftastend denken, denken dat beweging is, een nooit eindigende dialoog tussen standpunten, een denken dat ‘kan ontsnappen aan de dwang van het hier en het nu,’ zoals het al in een vroegere essaybundel, Niemand ontkomt (1988) werd genoemd. Het essay is voor Offermans een vrijplaats, een wijde, onbestemde reflectieruimte waarin de gedachten naar alle kanten uitwaaieren en waarin de ik de andere in het nu en in het verleden ontmoet. 

Beide dimensies, het nu en het verleden, zijn ook in Ver van huis weer aanwezig. In een eerste afdeling worden vier ‘voorbeeldige denkers’ gepresenteerd: Diderot, Nietzsche, Hans Magnus Enzensberger en Peter Sloterdijk. In de tweede afdeling zijn de denkers ‘indringers’ geworden, vaders en leraren die in het leven van hun zonen en leerlingen een rol spelen. Offermans wijdt een bijzonder indringend, warm en persoonlijk portret aan zijn vader (die van de anderen stilte afdwong en bij voorkeur naar Schubert luisterde) en trekt van leer tegen de ‘afbraak’ van het middelbaar onderwijs. Hij heeft het over de moeizame verhouding van kunst en televisie en valt vlijmscherp uit tegen het ‘ridicule academisme’ van (sommige) cultuurwetenschappers, die niets op hebben met kunst of cultuur, laat staan met ‘hogecultuur’. Verder zijn er opstellen over literatuur en schilderkunst (met Turner, Pessoa, Varlam Sjalamov, Lucebert, H.C. ten Berge, Bernlef, Vogelaar en Orhan Pamuk).
Ver van huis is een boek van een gedreven denker en essayist, die door zijn emotionele betrokkenheid en door de bewogenheid waarmee hij diverse onderwerpen aansnijdt en aan alle kanten omsingelt, een enthousiasme oproept dat geen denkend lezer onberoerd kan laten. Offermans hanteert ook hier weer een soepele en associatieve, met zijn ideeën mee meanderende taal en stijl. Het boek is een doorgecomponeerd, zorgvuldig doordacht en fraai opgebouwd geheel. Het is niet alleen inhoudelijk interessant maar ook boeiend geformuleerd. Het is een beweeglijk en open, de dialoog opzoekend boek, dat verrast door zijn inzichten en door zijn uitstekende stilistische kwaliteiten.
De commissie voor essay heeft in haar vergadering van 15 juni 2005 dan ook voorgesteld dat Denken in beweging door Cyrille Offermans wordt verkozen tot het beste essayistische boek dat in de periode 2003-2004 is verschenen.